Zorg moet weer terug naar de kern


    In de laatste eeuw heeft het ruimtelijk beleid zijn sporen nagelaten. Door ruimtegebrek in de binnenstad, behoefte aan bereikbaarheid per auto en het streven naar (kosten)efficiëntie is schaalvergroting opgetreden. Daardoor zijn steeds meer functies buiten de stad terecht gekomen, zoals bedrijventerreinen, kantoorparken, (universitaire) ziekenhuizen en nieuwbouwwijken. Daar waar functiemenging de basis was van het ontstaan van de stad, kenmerkt het ruimtelijke beeld zich nu door de onthechting van de stad, waarin monofunctionaliteit en de wegen daartussen de stedelijke structuur bepalen.

    De Nederlandse ruimtelijke ordening heeft de beheersbaarheid, planbaarheid en het vermijden van mogelijke gebruiksconflicten tot een absolute waarheid verheven, zonder zich hierbij af te vagen of dit ook leefbare, duurzame en levendige stedelijke ontwikkelingen geeft. De ‘overlast’ van werken, winkelen en recreëren is zoveel mogelijk uit de woonomgeving verbannen, evenals het zorgen, genezen en studeren. Zorg- en ziekenhuiscomplexen zijn nu veelal perifeer en in een parkeervlakte gelegen monolieten.

    De benodigde mobiliteitsbehoefte is door het scheiden van functies exponentieel gestegen. Kijk alleen al maar naar het absurde aantal parkeerplaatsen dat in Nederland beschikbaar is per auto en de slechte verdeling ervan. Doordat wijken grotendeels monofunctioneel zijn, zijn alle parkeerplaatsen bezet of ze zijn allemaal leeg.

    Demografische ontwikkelingen vragen nu ook om drastische uitbreidingen. Er moet immers in de toenemende vraag naar zorg worden voorzien. Momenteel wordt hier nog veel te weinig op ingespeeld. En dat, terwijl we allemaal weten dat de cijfers er niet om liegen.

    Er wordt bijzonder traag geanticipeerd op deze ontwikkelingen, waardoor we feitelijk al te laat zijn om de problemen op te lossen. Want stel dat we per direct beginnen met de bouw van de benodigde zorginstellingen om aan de zorgvraag te kunnen voldoen. Dan geven wederom de demografische cijfers aan dat die gebouwen na zoveel jaar weer leeg komen te staan. Niet bepaald duurzaam als je levensloopbestendigheid als een belangrijke prioriteit van duurzaamheid benoemt.

    Maar is de probleemstelling misschien niet ook een enorme kans om de stad weer te helen, om de connectiviteit van de stad te verbeteren, om de functiemenging van de stad te herstellen en daarmee de verkeersbewegingen te minimaliseren?

    Wat is nu de duurzaamste oplossing voor dit probleem? Moeten we de monofunctionele zorgcomplexen doorontwikkelen? Het afbreken van deze centra is in ieder geval een kapitaalvernietiging op zich. Laat staan dat het een duurzame oplossing is. Misschien moeten we meer denken in de levensfasen die een mens doorloopt. Dan zou je kunnen zeggen dat de stad in de laatste eeuw het puberale stadium is ontgroeit en nu door moet ontwikkelen tot een volwassen mens.

    Daarvoor moeten de monofunctionele gebouwen zich doorontwikkelen tot een intelligenter en complexer weefsel, een volwaardige stad, de metropool. In die doorontwikkeling wordt het monotone weefsel van de stad een divers en multifunctioneel weefsel. Een integratie van kleinschalige functies waarin wonen, werken, zorgen, ontspannen, het verbouwen van voedsel en studeren naast elkaar bestaan. Waarbij de menselijke maat, levendigheid en het terugdringen van de verkeersbewegingen centraal staan en daarmee ook het energieverbruik en de CO2 uitstoot kunnen worden beperkt. Een gezonde stad die multifunctioneel is en compact en die zich flexibel kan aanpassen aan de demografische ontwikkelingen.

    In deze eeuw keren dan als eerste de voorlopers van de monofunctionaliteit, de zorg en de (universitaire) ziekenhuizen, weer terug naar het centrum van de stad. Gevolgd door de terugkeer van de bedrijvigheid, winkels en kantoren. Met uiteindelijk ook de introductie van voedselproductie in de stad. Voor de Westerse wereld is dat laatste misschien nieuw, maar in de snelst groeiende stad van de wereld Sjanghai is inmiddels 630.000 ha gereserveerd voor urban agriculture.

    Het oude stedelijke weefsel wordt dus weer hersteld. Tegelijkertijd moeten de monofunctionele gebieden aan de randen van de stad worden geïntensiveerd met nieuwe functies, om die gebieden qua functiemenging te laten lijken op het oude stedelijke weefsel. Dat biedt ook een oplossing voor de permanente leegstand in mislukte gebieden zoals bijvoorbeeld het kantorengebied van Amsterdam Zuidoost. Of een oplossing voor het terrein van de Vrije Universiteit, door een deel weer terug te brengen naar de stad en een deel van de stad weer te injecteren in het monofunctionalistische VU gebied.

    Het terugbrengen van de functiemenging in de oude stad en de intensivering van de functiemening in de periferie maken het mogelijk de demografische ontwikkelingen flexibel op te vangen, energie te besparen, de verkeersbewegingen te reduceren, maar bovenal om de leefkwaliteit te verbeteren. In deze eeuw moeten daarom niet eerst de gebouwen zelf, maar moet vooral het stedelijk weefsel verduurzamen. De stad moet een leidende rol krijgen in de ecological age – een tijdperk waarin natuurlijke ontwikkelingen ondersteund en gevoed worden door high-tech kennis en technologie. Geen geiten-wollen-sokken duurzaamheid, maar beheerste chaos als model voor de meest robuuste en daardoor levendige stad. Misschien wel de ultieme definitie van de duurzame stad.

    01.10.2009